Gambia ligt aan de uiterste westpunt van Afrika, direct aan de Atlantische Oceaan. De officiële naam is eigenlijk The Gambia. Het is het kleinste land op het vaste land van Afrika (11.295 km²), niet meer dan een brede strook land aan weerszijden van de Gambiarivier, een van de grootste en best bevaarbare rivieren in West-Afrika. Het grenst volledig aan Senegal (behalve dan aan de westkust, aan de Atlantische Oceaan), het wordt eigenlijk door Senegal omringd.

Gambia telt ongeveer 1.5 miljoen inwoners en is daarmee een van de dichtstbevolkte landen van Afrika. Gambia is een voormalige Engelse kolonie en de officiële voertaal is Engels. In 1963 kreeg het land zelfbestuur, waarna het in 1965 onafhankelijk werd en deel uit bleef maken van de Commonwealth of Nations. Dat duurde tot 1970 toen Gambia een zelfstandige republiek werd. Gambia is een arm land. Veel Gambianen hebben geen werk. Er is een tekort aan werk en goede scholing. Er is ook gebrek aan zaken als voldoende stromend water en elektriciteit. De infrastructuur van het land is slecht, waardoor reizen veel tijd in beslag neemt. Er geen enkele brug over de Gambiarivier, er varen slechts op drie plaatsen ponten. Een groot deel van de Gambiaanse bevolking woont in de kuststreek, direct onder het zuidelijke deel van de monding van de Gambiarivier. Hier ligt een kleine stedenagglomeratie, met daarin de hoofdstad Banjul, Serekunda (de grootste stad van Gambia) en Bakau/Fajara. Iets naar het zuiden ligt Brikama, de derde stad van Gambia.

Gambia kent een geschiedenis van slavenhandel en armoede. Dit laat nog steeds zijn sporen na en de armoede is nog steeds niet verdwenen, het is nog een ontwikkelingsland. Het toerisme neemt snel in belang toe en zorgt voor 25 % van het nationaal inkomen. Het land heeft een subtropisch klimaat dat twee hoofdseizoenen kent. Het droge seizoen is ook het toeristenseizoen, dat duurt van november tot mei, en het regenseizoen van juni tot oktober. De temperatuur schommelt het hele jaar tussen 28 en 35 graden en in het binnenland kunnen de temperaturen oplopen tot ver boven de 40 graden.

De levensstandaard is er zeer laag, de economie leunt voor een groot deel op de landbouw (in dit geval pinda’s) en veeteelt, er is corruptie, malaria en aids, en de Sahel rukt op. Zaken die in West-Europa vanzelfsprekend zijn, ontbreken gewoonweg. Zo zijn er geen goede medische voorzieningen, geen sociale voorzieningen, geen warenhuizen, geen pretparken en ga zo maar door.

Wat Gambia dan wel te bieden heeft, zijn de prachtige, exotische stranden langs de Atlantische Oceaan en een vriendelijke bevolking. Daarnaast is er wat kleine industrie (het verwerken van pinda’s, vis en huiden). Het toerisme neemt snel in belang toe. Naast de toeristen die voor zon, zee en strand komen, reizen ook vogelaars naar Gambia. Toeristen kunnen ook een leuke boottocht maken op de rivier. Of vissen op de rivier, maar wel oppassen want in de rivier leven verschillende zeldzame vissoorten en krokodillen. Doordat het water van de Gambia rivier zo´n 150 tot 180 kilometer landinwaarts zout of brak is, zijn er in de rivier zelfs dolfijnen te bewonderen, waar het water zoet wordt leven ook nijlpaarden. En ook in de kustwateren van Gambia kom je verschillende zeedieren tegen zoals zeeschildpadden, roggen, zeeslangen, krabben, haaien, inktvissen, zwaardvissen, tonijnen,…
Ook nu nog is de waterweg niet zonder belang. Kleine zeeschepen kunnen het pindacentrum Kaur bereiken, 190 km het binnenland in.

Om investeringen in het toerisme nog verder te bevorderen, heeft de Gambiaanse overheid langs de gehele zuidkust – van Banjul tot aan de Senegalese grens- een strook land van 800m breed aangewezen als toeristisch.

Maak een Gratis Website met JouwWeb